Het leven in een woonzorgcentrum: 24.00 uur

Mark Pastoors is op zijn kamer aan het werk met een model van Dracula. Het is een speciaal model dat hij van zijn oom Bart heeft gekregen toen hij vijf jaar was, nu 70 jaar geleden. Zijn appartement in het woonzorgcentrum heeft drie kamers: een slaapkamer, een woonkamer en een derde kamer die hij voor zijn hobby gebruikt. Zijn hele leven al verzamelt hij modellen, van Dracula, Frankenstein, Mr. Hyde en andere monsters. Hij heeft dezen in zijn hobbykamer opgesteld. Hij is een specialist. Zeventig jaar lang heeft hij kennis vergaard uit boeken en films. De meeste mensen vinden hem maar een rare man vanwege zijn hobby.  Sommige mensen zijn zelfs bang en ontwijken hem, maar dat maakt Mark niets uit.

Het verzorgend personeel was ontsteld over zijn verzameling toen hij in het woonzorgcentrum kwam wonen. De directeur had geëist dat hij de monsters wegdeed. Hij had het niet gedaan. Het was tenslotte zijn appartement.

Hij lijmt het hoofd van Dracula weer aan de romp vast. Het was gisteren afgebroken toen hij met zijn verzameling bezig was. Hij doet dat elke avond voor hij naar bed gaat. Gisteren  was Dracula de Eerste, zoals hij het model liefkozend noemt, op de grond gevallen.

Mark zet Dracula op zijn plaats in het kerkhof naast een doodskist. Bij de begraafplaats staat een kerk met boven op de toren een kruis. Mark neemt het kruis van de toren en legt het op het nachtkastje naast zijn bed. Een dagelijkse voorzorgmaatregel, evenals dat hij altijd met een gesloten raam slaapt. Hij is tenslotte een specialist en weet wat er kan gebeuren.

Hij loopt naar de badkamer, wast zijn gezicht en doet zijn kunstgebit in een glas water. Daarna pakt hij zijn pyjama onder het kussen vandaan en begint zich uit te kleden. Ondanks zijn vijfenzeventig jaar en zijn atritis doet hij dat meestal nog zelf, tenzij hij weer zo’n atritis aanval heeft. De nachtdienst komt altijd even langs voor controle, maar is laat vandaag. Voor Mark maakt dat niets uit. De nachtdienst heeft een sleutel van zijn appartement en mag binnenkomen als dat nodig is. Mark gaat onder het dekbed liggen en doet het licht uit.

Iets maakt hem wakker. Mark blijft stil liggen. Daar is het weer. Hij doet zijn ogen open. Een vrouw staart hem aan door het raam. Haar gezicht is ivoorwit, haar ogen reebruin en haar haren glanzen als fluweel. Ze glimlacht gelukzalig naar Mark.

‘Laat me binnen, ik wil met je spelen,’ fluistert ze met een zoet gevoosde stem.

Mark weet niet zeker of ze die woorden echt uitspreekt of dat hij het zich alleen maar verbeeld, maar zijn lichaam krimpt krampachtig ineen. Hij is bang.

‘Laat me binnen,’ fluistert de vrouw opnieuw.

Zijn appartement ligt op de derde verdieping van het woonzorgcentrum. Er is geen balkon voor zijn slaapkamer. Toch staat of hangt die vrouw op een of andere manier voor zijn raam. De vrouw blijft glimlachen. Als hij in haar diepe bruine ogen kijkt, trekken ze hem naar haar toe. Mark slaat zijn dekbed weg, stapt uit bed, zakt door zijn benen en valt met een klap op de grond. De atritis is zijn redding. Het kost hem al zijn wilskracht om niet meer in die ogen te kijken.

‘Laat me binnen,’ gilt de vrouw nu. Haar gezicht is een masker geworden, de ogen bloed doorlopen en hoektanden die lang en scherp zijn.

‘Maak het raam open,’ sist ze als een bevel dat gehoorzaamd moet worden. Moeizaam trekt Mark zich omhoog. Hij grijpt het kruis van het nachtkastje en houdt het stevig vast.

‘Nu mag je binnenkomen,’ zegt Mark en doet het raam open. Hij zwaait het kruis naar voren en duwt het tegen het gezicht van de vrouw. Het kruis schittert een felle glans. Haar schreeuw is afgrijselijk. Rook stijgt op uit haar lichaam. Gillend valt ze naar beneden.

Dan is het stil. De glans van het kruis verdwijnt.

De deur van het appartement gaat open. Bert, die nachtdienst heeft, komt binnen. ‘Mark, ik hoorde je roepen, ben je wakker, is alles goed met je?’ vraagt hij bezorgd.

Mark opent zijn ogen. ‘Waarom maak je zoveel lawaai?’ mompelt hij slaperig.

‘Had je een nachtmerrie?’

‘Ik weet het niet, sorry.’

‘ Ik zal een glas water halen,’ zegt Bert. Hij heeft het gevoel dat er iets niet in orde is, maar kan het niet plaatsen. Hij doet het licht aan en geeft Mark een glas water. Hij kijkt de kamer rond. Het raam staat open.

‘Is er iets mis?’ vraagt Mark.

‘Nee,’ zegt Bert en sluit het raam.

‘Welterusten dan maar.’

‘Welterusten,’ zegt Bert en trekt het dekbed recht. ‘Zeg, sinds wanneer slaap jij met een kruis in je handen?’

Leo van Erp

Advertenties

Het leven in een woonzorgcentrum: 23.00 uur

Buiten is het donker. De takken van de grote eikenbomen zwiepen in de storm heen en weer. Ze vormen vreemde schaduwen in het licht van de lantaarns op de parkeerplaats van het woonzorgcentrum. De bewoners van het woonzorgcentrum zijn onrustig, vooral mijnheer Verhoeven, wiens vrouw tien dagen geleden is overleden.

Verpleegkundige Hannie, die nachtdienst heeft, heeft het druk. De alarmbel op haar telefoon gaat elke keer weer af. Ze rent van bewoner naar bewoner. Er is niets ernstigs met ze aan de hand, Hannie komt vooral om ze gerust te stellen. Meneer Verhoeven vraagt de meeste aandacht.

Als het eindelijk even rustig is, zet ze in het kantoortje een kop thee en gaat zitten om even bij te komen.

Ze neemt net haar eerste slok als er iemand hard op de deur bonst. Verschrikt kijkt ze op. Een geagiteerde meneer Verhoeven steekt zijn hoofd om de deur.

‘Wat komt u nu weer doen?’ zegt Hannie. Ze kan de irritatie in haar stem niet onderdrukken.

‘Hoor ‘s, ik kom binnen of je ’t leuk vindt of niet,’ roept meneer Verhoeven en hij stapt het kantoortje binnen. Ondanks zijn leeftijd heeft meneer Verhoeven een imposant voorkomen. Hij is een kop groter dan Hannie, en breed gebouwd. Doorgaans heeft hij een vriendelijke uitstraling, maar nu is zijn hoofd rood aangelopen. De blik in zijn ogen is wazig en verward. Hij zet zijn beide handen op het bureau en buigt dreigend voorover naar Hannie. ‘Wat is dat nou? Ik moet hier gewoon zijn. Heb je daar iets op tegen?’ Met een woeste beweging van zijn arm veegt meneer Verhoeven alle papieren van het bureau.

Hannies gezicht wordt lijkbleek. Ze schuift haar stoel naar achteren, maar botst tegen de muur.

Er heerst een gespannen stilte.

Na een paar tellen, die voor Hannie lang duren draait meneer Verhoeven zich abrupt om . Hij beent het kantoor uit.

Sissend laat Hannie haar ingehouden adem ontsnappen. Ze trilt over haar hele lichaam. Met beide handen houdt ze zich vast aan de leuning van haar stoel. Ze moet iets doen. Maar wat? Ze probeert haar ademhaling onder controle te krijgen. Dadelijk zal ze naar meneer Verhoeven toegaan, eerst moet ze nu tot rust komen.

Na een paar minuten staat ze met een diepe zucht op. De regen klettert tegen het raam. Ze kijkt naar buiten. In het licht van een lantaarnpaal ziet ze meneer Verhoeven bij een auto staan. Hannie rukt haar jas van de kapstok, belt haar collega en springt met twee treden tegelijk de trap af en rent door de hoofdingang naar buiten.

Meneer Verhoeven staat niet meer onder de lantaarnpaal. De auto is verdwenen. ze zoekt in de regen het hele parkeerterrein af, maar hij is nergens te bekennen. Ze gaat weer naar binnen met druipende haren. Regenwater drupt op de vloer. Haar collega staat in de hal. Ze overleggen, heel kort en dan vliegt Hannie de trap weer op en belt de zorgmanager, die deze nacht achterwacht is.

‘Meneer Verhoeven is verdwenen,’ zegt ze hijgend.

Binnen vijftien minuten is Saskia, de zorgmanager, gearriveerd. Hannie vertelt wat er is gebeurd.

‘Ik bel mensen voor een zoekactie,’ zegt Saskia en loopt het kantoortje uit.

Onrustig loopt Hannie op en neer. Ik had anders moeten reageren, denkt ze, maar ik was zo bang. Ze kijkt op de klok. Waar blijft Saskia nu?

Na een uur komt Saskia terug. Ze hebben meneer Verhoeven niet gevonden. Hannie belt de politie. Saskia neemt contact op met de familie van meneer Verhoeven en stelt hen van zijn verdwijning op de hoogte.

De volgend avond is meneer Verhoeven terug in het woonzorgcentrum. In verwarde toestand had hij het woonzorgcentrum verlaten. Hij was in zijn auto gestapt. Op de ringweg was hij ingehaald door een vrachtauto. “Tilburg”stond in grote letters op de vrachtauto.Tilburg is de plaats waar meneer Verhoeven is geboren en getogen. En hij wilde naar huis. Hij is de vrachtauto achterna gereden. Hij had niet in de gaten dat de vrachtauto naar Duitsland reed. Hij merkte ook niet dat hij de grens passeerde. Toen de benzine op was, heet hij zijn auto op de vluchtstrook langs de Autobahn gezet. Daar heeft de politie hem aangetroffen.

Leo van Erp

Het leven in een woonzorgcentrum: 22.00 uur

Mevrouw van Beusekom woont al vele  jaren in het woonzorgcentrum. Ze komt bijna nooit haar kamer uit, praat niet veel en lijkt in een eigen wereld te leven, hoewel ze geen dementie heeft.

Pauline, die avonddienst heeft, schenkt warme melk in een mok die op het aanrecht staat. Ze loopt met de mok in haar hand de gang in. Aan het einde van de gang blijft ze staan, klopt op de deur van de kamer van mevrouw Van Beusekom en doet die open. ‘Goedenavond mevrouw Van  Beusekom, ik heb warme melk voor u.’

Zoals gewoonlijk komt er geen antwoord. Pauline loopt de kamer binnen. Mevrouw Van Beusekom zit in haar stoel voor het raam De stoel staat met de rug naar de deur. Mevrouw van Beusekom kijkt naar buiten, waar donkere wolken samentrekken. Een stukje wit haar steekt boven de stoel uit. Pauline gaat op de vensterbank zitten, zet de mok naast zich neer en kijkt naar mevrouw Van Beusekom. Het is een kleine vrouw, ze draagt een donkerblauwe plooirok en crèmekleurige blouse en lakschoenen. Op haar schoot ligt een fotoboek. ‘Hoe gaat het met u?’ vraagt Pauline.

Mevrouw Van Beusekom reageert niet op Pauline’s vraag en streelt de foto in het fotoboek.

‘Ik heb warme melk voor u meegenomen.’

Weer laat mevrouw Van Beusekom niet merken of ze Pauline heeft gehoord.

Pauline glimlacht en legt een hand op de knie van mevrouw Van Beusekom. Geïrriteerd duwt ze Pauline’s hand weg. Pauline staat op en gaat naast de stoel staan. ‘Mag ik uw foto’s zien?’

De foto die ze ziet is zwart-wit. Een jongen zit op een schommel in een tuin vol met bloemen. Het is een gewoon kiekje, van een lachend kind op een mooie zomerdag, het soort foto dat in vele fotoalbums voorkomt.

Wat betekent deze foto voor haar? denkt Pauline.

Mevrouw Van Beusekom streelt opnieuw de foto.

‘Wat een leuke jongen,’ zegt Pauline, ‘is het uw zoon?’

Mevrouw Van Beusekom tilt haar hoofd op, kijkt Pauline aan en begint te huilen. Pauline gaat tegenover haar zitten en streelt haar hand. De tranen blijven stromen. Pauline haalt wat tissues uit de badkamer en veegt de tranen van het rimpelige gezicht.

‘Wilt u een slokje melk?’ zegt ze en neemt de mok van de vensterbank. Mevrouw Van Beusekom steekt haar hand beverig naar voren. Het fotoalbum glijdt van haar schoot en valt op de grond. Mevrouw Van Beusekom tranen stromen alweer. Pauline zet de mok terug en bukt om het fotoalbum op te pakken. Achter de foto van de jongen steekt een stukje papier uit. Voorzichtig trekt Pauline eraan. Het is een vergeeld stukje krant, dat is opgevouwen. Pauline maakt het open. “Kind vermist”, staat met vette letters als kop boven het krantenartikel.

Geschokt kijkt Pauline naar mevrouw Van Beusekom. Dan staat ze op en pakt het zorgdossier. “Mevrouw Van Beusekom, weduwe, kind overleden, geen familie,” staat er. Ze slaat het dossier dicht en leest het krantenartikel. De naam van het kind was Bertje van Beusekom.

Leo van Erp

Het leven in een woonzorgcentrum: 21.00 uur

Mevrouw Kroon laat de codedeur opengaan, om de psychogeriatrische afdeling van het woonzorgcentrum binnen te komen. Ze komt elke avond om haar man Herman naar bed te brengen. Op de gang komt ze Yvonne, die avonddienst heeft tegen. ‘Hoe is het vandaag met Herman gegaan?’ vraagt ze.

‘Uw man was erg onrustig,’ zegt Yvonne., ‘hij zit nu in de woonkamer.’

Mevrouw Kroon doet de deur open. Herman zit aan een tafeltje bij het raam. Hij trommelt met zijn vingers op het tafelblad.

‘Goedenavond schat,’ zegt mevrouw Kroon.

Herman kijkt haar aan. Een blik van herkenning en een glimlach verschijnen op zijn gezicht. Mevrouw Kroon geeft hem een kus, pakt zijn arm vast en loopt met hem naar zijn eigen kamer. In de gang is het rustig. De meeste bewoners zijn al naar bed.

Mevrouw kroon doet de deur van de kamer dicht. Ze kleedt Herman uit, wast zijn gezicht en, geduldig, ook zijn tanige lichaam. Daarna doet ze hem zijn pyjama aan en zijn avond jas. Ze gaan terug naar de woonkamer. Mevrouw Kroon schenkt frisdrank in een tuitbekertje. Terwijl ze hem helpt met drinken streelt ze zijn hand. Over haar wang kruipt een traan.

Yvonne loopt naar haar toe en gaat naast haar zitten. Ze slaat een arm om mevrouw Kroon heen. ‘Heeft u het zwaar?’ vraagt ze.

Mevrouw Kroon glimlacht. ‘Die gevoelens komen zo onverwaçhts,’ zegt ze, ‘ze razen als een storm door je heen.’ Ze zucht. ‘Vroeg of laat gaat het verdriet vanzelf weer weg. Je moet het accepteren en er niet te veel over  nadenken, want anders  spoken die sombere gedachten eindeloos rond en rond en rond, tot je er gek van wordt.’ Ze laat Herman weer een slokje drinken. ‘Ik weet dat hij lijdt, maar ik ben bij hem. Medeleven is belangrijk, niet medelijden. Als je medelijden hebt, zie je iemand niet meer als een geheel mens, maar als iemand die niet helemaal in orde is. De afstand wordt dan alleen maar groter. Ik wil juist heel dicht bij Herman zijn. Dit is geen einde van ons leven, maar een onderdeel ervan. we hebben het samen goed gehad en ook deze fase van ons leven moet goed verlopen.’

Yvonne geeft haar een kus op het voorhoofd. ‘U bent een vrouw met moed en compassie,’ zegt ze en staat op. ‘Als je wilt weten wat mededogen is, kijk dan diep in de ogen van een vrouw die de handen van haar demente man streelt,’ zegt ze en vervolgt met een glimlach, ‘een variant op een uitspraak van de Dalai Lama.’

Leo van Erp

Het leven in een woonzorgcentrum: 20.00 uur

Overal in het land wordt hard gewerkt om de  “kwaliteit van leven”in woonzorgcentra te verbeteren. Smalle donkere gangen, waarin je struikelde over rolstoelen en rollators, worden uitgebroken en verbreed. In plaats van de huiskamers en slaapzalen, die weinig ruimte en privacy boden, wordt gewerkt aan eenpersoonskamers met eigen sanitair of, nog mooier, zorgappartementen met meerdere eigen kamers. De binnenhuisarchitecten die bij zulke projecten worden betrokken, spelen met kleur en licht, zodat een frisse, overzichtelijke inrichting ontstaat.

Ook het woonzorgcentrum is vernieuwd. Een vleugel van het gebouw is helemaal gerenoveerd. Jarenlang zijn allerlei procedures doorlopen en uiteindelijk is het nu voor mekaar. Eric Dupre, de directeur, is er blij mee. Regelmatig loopt hij trots door de nieuwe vleugel, zo ook vanavond.

De deur van de woning van mevrouw Bos staat open. Mevrouw Bos is 75 jaar. Ze draagt een blauwe geruite broek met een beige trui en zit in haar rolstoel voor zich uit te staren. Eric klopt, hij mag binnenkomen.

‘Mensen die hier wonen zitten in hun laatste levensfase, vlak voor de dood,’ zegt mevrouw Bos direct, ‘maar daar praten ze niet over. Wat ze wel zeggen gaat of over het eten of over  het weer. Ik word doodziek van dat geklets. Ik heb sociologie gestudeerd, ben actief geweest in de landelijke politiek en de emancipatiebeweging. Ik was een van de Dolle Mina’s , weet u. Ik heb hier wel eens geprobeerd daar over te praten. Ze keken me aan alsof ik gek was. Nou, dacht ik, over politiek hoef ik in dit huis dus niet meer te beginnen.’

‘U heeft nu wel een geheel nieuwe woning. Bent u daar blij mee?’ zegt Eric.

‘Met die nieuwe woning wordt de kwaliteit van mijn leven er toch echt niet beter op. Ik lees graag wetenschappelijke artikelen, of over de politiek, maar tegenwoordig heb ik een vergrootglas nodig. Dan gaat de lol er snel af. Wat heeft het leven voor mij nog voor zin? Ik wil wel dood,’ zegt mevrouw Bos. ‘Maar als ik daar over begin moet ik aantonen dat ik ondraaglijk lijd.’

Ze kijkt Eric aan, met een blik waaruit hij niet kan afleiden of ze alles wat ze zegt meent. ‘vindt u een nieuwe woning dan niet belangrijk? vraagt hij.

‘Jawel hoor,’ zucht mevrouw Bos, ‘maar kwaliteit van leven is toch meer dan alleen eten, en gewassen worden en mooie nieuwe huisvesting.’

‘Ja..tja,’ zegt Eric nadenkend. ‘Wilt u misschien iets actiefs doen, bijvoorbeeld in de lokale politiek? Wij kunnen wel vervoer regelen en er is vast wel een vrijwilliger te vinden die met u de stukken wil doornemen.’

‘Zou dat kunnen?’zegt mevrouw Bos. Haar ogen beginnen te glanzen.

‘U bent de klant en de klant is koning,’ zegt Eric.

‘De klant is koningin, zult u bedoelen!’ Ze lacht. ‘Ik ben nog steeds een Dolle Mina, ook al ben ik oud.’

Leo van Erp

Het leven in een woonzorgcentrum: 19.00 uur

Na een mooie zomerse dag is het weer omgeslagen. Donkere wolken trekken over. Het is benauwd in het woonzorgcentrum. Alle deuren staan open. Mevrouw Van de Braak zit in de hal van het woonzorgcentrum. Ze heeft blauw grijs haar, met gepermanente krulletjes. Een vrolijke bloemenjurk draagt ze. Naast haar staat een blauwe rollator, in het mandje een plastic zak van een supermarkt. Ze zit op die plaats in de hal omdat het zo warm is maar ook omdat ze goed kan zien wat er buiten gebeurt en vooral ook wie er binnenkomt.

‘Goedenavond,’zegt Eric Dupre, de directeur van het woonzorgcentrum die door de openstaande deur naar binnenloopt. Een onverstaanbaar gemompel klinkt, terwijl hij langs haar loopt.

‘Van wie bende gij er ene?’  hoort hij dan ineens duidelijk.

Hij moet lachen en draait zich om.  ‘Van Piet en Regine,’ zegt hij.

‘Piet en Regine?

Eric knikt. Ze kijkt hem aan met grote bruine ogen. Hij ziet in die ogen haar vragende blik waarin de namen van alle mannen en vrouwen uit het dorp rondtollen.

‘Waar wonen die?’vraagt de vrouw na enige tijd.

‘In Vught.’

‘Vught? Da ligt breed vur Den Bosch,’ zegt mevrouw Van de Braak.

Hij moet weer lachen.

‘Wa’ komde hier ’s avonds nog doen?  vraagt ze.

‘Kijken hoe het hier gaat. Hoe maakt u het hier?’ zegt Eric.

‘Warum wilde gij da”weten? Bende gij soms de grote baas hier?

‘ Sommigen noemen mij wel eens zo.’

‘Da’ ken nie, de grote baas is boven,’ zegt mevrouw Van de Braak, terwijl ze haar rechterhand omhoog steekt.

‘Daar heeft u gelijk in. Maar heeft u het hier naar uw zin?’ vraagt Eric.

‘Ja hoor, hier ben ik tenminste niet alleen, heb ik tenminste aanspraak. Thuis zorgden de kinderen wel voor me, maar ik was wel alleen. Da’s dan zo stil d’n hele dag…Hier zijn ze ook goed voor me, echt goed.

Mevrouw Van de Braak praat verder. ‘Vanmorgen kwam de zuster om me te wassen en ze had iemand bij zich, een student of zoiets.Ze vroeg of da’ meiske erbij mocht blijven. Ik zei da’k da liever nie’ had. en da’ vond ze heel normaal en toen is da’ meiske even de gang op gegaan. Lief hè.’

‘Dat hoort ook zo, dat ze dat normaal vindt. Wij noemen dat respectvol bejegenen,’ zegt Eric.

‘Da’ kan wel zo zij,’ antwoordt mevrouw Van de Braak, ‘maak ik vond het lief.’

Leo van Erp

Het leven in een woonzorgcentrum: 18.00 uur

‘Zuster, zuster,’ roept mevrouw van den Berg zachtjes. Ze zit in de woonkamer van de psychogeriatrische afdeling, aan de tafel die gedekt is voor het avondeten. Haar tot vuisten gebalde handen liggen op haar schoot. Op de tafel bij het bord staat een fotolijstje met daarin het bidprentje van haar overleden man Hendrik.

Marian loopt naar mevrouw Van den Berg toe en legt een arm om haar schouders. Mevrouw van den Berg staart naar het fotolijstje. ‘Verdrietig vandaag,’ zegt ze. Marian pakt een tissue uit de zak van haar uniform en veegt een traan van het gerimpelde gezicht. ‘Zal ik uw bord opscheppen,’ zegt ze.

Mevrouw van den Berg legt haar gesloten hand op tafel en opent die. In de klamme hand ligt een verkruimelde pil. ‘Heeft u uw medicijn uit uw mond gehaald?’ zegt Marian. Mevrouw van den Berg lacht. Ze stopt de stukjes pil nu in haar mond. Daarna staat ze op en loopt met eentonige regelmaat, mompelend, door de volle woonkamer. Een mevrouw aan de andere kant van de kamer gilt als mevrouw Van den Berg langskomt.

‘Kom gezellig bij mij  zitten, dan gaan we eten,’ zegt Marian als mevrouw Van den Berg weer in de buurt van haar stoel is.

‘Ik moet de dokter bellen,’ steunt mevrouw van den Berg, terwijl ze zich laat zakken op de stoel. ‘Hendrik, Hendrik, wat is er gebeurd? Waarom lig je daar? Het spijt me Hendrik. Ik kan het niet meer. Je bent te zwaar.’ Ze begint met een afwezige blik in haar ogen aan het tafelkleed te frummelen, rolt het op, laat het los en begint weer opnieuw.

Marian pakt het fotolijstje van de tafel. ‘U heet een mooie man,’ zegt ze.

Mevrouw van den Berg komt uit haar stoel en begint weer te lopen, steeds hetzelfde rondje. Als ze enkele keren langs Marian is gekomen, staat ook Marian op en legt ze een arm om haar schouder. Mevrouw van den Berg kijkt haar aan. ‘Anna, wat fijn dat je op bezoek komt,’ zegt ze. ‘Ik heb je zo gemist. Niet weggaan, hoor. Papa heeft je nodig. Ik zal nooit meer schelden.’

Marian zet mevrouw Van den Berg op een stoel. Ze staart met een afwezige, nietszeggende blik uit het raam. Lange tijd is ze stil. Dan begint ze te huilen. Bijtend klinkt commentaar uit een ander hoek van de woonkamer.  ‘Mens, hou toch eens op.’

Marian geeft haar weer een tissue, die ze tot een prop frommelt en in haar hand klemt. Marian streelt de gebalde vuist. ‘Mevrouw van den Berg, heeft u weleens een droom?’ zegt ze. Mevrouw van den Berg kijkt haar aan. ‘Ik droom niet,’ zegt ze kortaf, ‘ik ben niet gek.’

‘Als u goed zoekt, vindt u vast wel een droom die ergens rondzweeft,’ zegt Marian.

‘Dromenvanger!’roept mevrouw Van den Berg.

‘Ik probeer het altijd,’ zegt Marian, ‘en als het lukt, kan ik iets voor iemand doen. Wilt u mij helpen om uw droom te vangen?’

Mevrouw Van den berg veegt met de opgepropte tissue langs haar neus. Na een paar minuten verschijnt een twinkeling in haar betraande ogen. ‘Ik wil Anna en de kleintjes zien,’ mompelt ze.

‘Ziet u wel dat we een droom kunnen vangen,’ zegt Marian. ‘Nu ga ik regelen dat uw dochter en uw kleinkinderen op bezoek komen.

Mevrouw Van den Berg lacht. Ze pakt een lepel en schept aardappelen op haar bord.

Leo van Erp